NTG - Nederlandse Technische Gasmaatschappij b.v. |
Autogeen Snijden |
Autogeen snijden: het proces en de gassen. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het autogeensnijden is in de metaalindustrie nog
altijd het meest toegepaste thermische snijproces. Deze populariteit ontleent het aan een aantal zaken.
Principe van het procesHet principe van het snijproces wordt in fig. 1 weergegeven. Een mengsel van zuurstof en een verhittingsgas wordt gebruikt om het metaal tot de ontstekingstemperatuur te verhitten. Voor staal ligt dit rond de 1100 oC (kleur helder rood), wat voldoende ver onder het smeltpunt is.Een zuurstofstraal wordt aansluitend op de verhitte plaats gericht, waarna een sterke exotherme reactie tussen het metaal en de zuurstof wordt gestart, wat uiteindelijk resulteert in de vorming van een oxide of slak. De zuurstofstraal blaast de slak weg, waardoor de straal uiteindelijk door het materiaal heen snijdt.
Er zijn vier basis voorwaarden waaraan een materiaal moet voldoen om succesvol met deze methode gesneden te kunnen worden.
In het verleden werd dan wel gebruik gemaakt van het z.g. poedersnijden, maar na de introductie van het plasmasnijden komt dit nog slechts sporadisch voor. Zuiverheid van de zuurstofDe snijsnelheid en de snedekwaliteit worden voor een groot gedeelte door de zuiverheid van de zuurstof bepaald. Via het ontwerp van het snijmondstuk kunnen zodanige condities geschapen worden dat de zuurstofstraal niet door de omgevingslucht verontreinigd wordt.De zuiverheid van de zuurstof voor het autogeen snijden dient minstens 99,5% te zijn, dat ook wel aangegeven wordt als O2 2.5. Hoe belangrijk dit is blijkt wel uit het feit, dat een daling van de zuurstofkwaliteit met 1%, een daling van de snijsnelheid met 25% en een stijging van het gasverbruik van eveneens 25% tot gevolg heeft. Dit vertaalt zich direct in hogere kosten van het snijden. Keuze van het verhittingsgasDe verbranding van het verhittingsgas vindt in
twee zones plaats. De primaire verbranding vindt
plaats in de kegel van de vlam onder de vorming van
koolmonoxide en waterstof. Deze reactie verloopt in
het geval van acetyleen a.v. In de mantel of pluim van de vlam vindt de
secundaire verbranding plaats, maar hier dan met
behulp van de zuurstof uit de omringende lucht en
volgens de volgende reactie. Voor autogene processen zoals hier het snijden,
zijn alleen de eigenschappen van de primaire
verbranding van belang.
De meest bekende en gebruikte verhittingsgassen
zijn acetyleen, propyleen, propaan, aardgas en de
mengsels van vloeibare koolwaterstoffen, vaak wel
aangeduid als MPP-Mix Gas. De eigenschappen van deze
gassen worden in de tabel weergegeven.
AcetyleenVan alle verhittingsgassen heeft acetyleen veruit de hoogste vlamtemperatuur, namelijk 3160 oC bij verbranding in zuurstof. De hetere vlam heeft een kortere voorwarmtijd en kortere gatspuittijd tot gevolg, ca. een derde van die bij propaan.De hogere verbrandingssnelheid (7,4 m/s vergeleken met 3,3 m/s voor propaan) en de hogere verbrandingswaarde in de vlamkegel (18 890 kJ/m3 vergeleken met 10 433 kJ/ m3 bij propaan) zorgen voor een zeer intense vlam aan het plaatoppervlak. Dit resulteert bij het snijden in een geringere warmte beïnvloede zone en minder vervorming. PropaanPropaan, dat naast acetyleen voor het autogeen snijden veel toegepast wordt heeft, zoals al aangegeven een lagere vlamtemperatuur. De totale verbrandingswaarde (primair en secundair) van propaan is weliswaar hoger dan voor acetyleen, maar voor de autogene processen is uitsluitend de primaire verbranding van belang.Figuur 2 en 3 laten de typische vorm van een acetyleen en propaan vlam zien, waarbij duidelijk de scherpere vorm van de acetyleen vlam te herkennen is. Het resultaat hiervan is, dat zowel de gatspuit snelheid als de snijsnelheid lager is dan bij acetyleen. Het zuurstofverbruik bij de maximale vlamtemperatuur ligt bij propaan ook hoger dan bij acetyleen, namelijk 4,3 : 1 tegenover 1,5 :1. Met andere woorden, in vergelijking met acetyleen is voor de verbranding van 1 m3 propaan ongeveer drie maal zoveel m3 zuurstof nodig.
MPP-Mix GasDit is een mengsel van diverse vloeibare koolwaterstoffen, zoals methylacetyleen, propadieen, en propyleen. De vlamtemperatuur is relatief hoog, ca. 2980 oC bij een primaire verbrandingswaarde van 15 445 kJ/m3, wat lager is dan bij acetyleen, maar hoger dan bij propaan.De secundaire verbrandingswaarde is, evenals bij propaan en aardgas hoog, maar voor het autogeen snijden is dit slechts van gering belang aangezien uitsluitend met de energie van de vlamkegel gewerkt wordt. MPP-Mix Gas kan met een hogere druk dan acetyleen worden gebruikt, waardoor het zich uitstekend leent voor het onderwater snijden op grote diepte. Daarnaast komt dissociatie van het gas - het (explosief) uiteen vallen in zijn componenten - zoals dit bij acetyleen bij iets verhoogde druk kan plaatsvinden, niet voor. PropyleenPropyleen is een verhittingsgas, dat als bijproduct bij de raffinage van aardolie vrijkomt. Het heeft nagenoeg dezelfde vlamtemperatuur als MPP-Mix Gas (2872 oC vergeleken met 2927 oC voor MPP-Mix Gas) maar is een stuk heter dan propaan.De secundaire verbrandingswaarde van de vlam is evenals bij propaan hoog - 72 000 kJ/m3 -, maar dit is voor de toepassing bij autogene processen slechts van geringe waarde. Ook het zuurstofverbruik bij de maximale vlamtemperatuur is evenals bij propaan, hoog. AardgasAardgas heeft de laagste vlamtemperatuur en laagste primaire verbrandingswaarde van alle hier genoemde verhittingsgassen. De vlamtemperatuur is vergelijkbaar met die van propaan, maar het is met name de geringe primaire verbrandingswaarde die dit gas minder geschikt maakt voor het autogeen snijden.SlotopmerkingBij de keuze van het verhittingsgas zijn er een aantal aspecten die een belangrijke rol spelen, zoals:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| bron: NIL |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||