NTG - Nederlandse technische Gasmaatschappij b.v. |
Hoeklassen |
Hoeklassen - overzicht en praktische tips |
|||
Hoeklassen vormen het merendeel van alle lasverbindingen.Vaak worden de problemen die kunnen voorkomen bij het vervaardigen ervan onderschat. Door gebrekkige aanduidingen en specificaties op werktekeningen of door een verkeerde uitvoering in de praktijk kunnen onnodige kosten ontstaan of kunnen werkstukken niet voldoen aan de gestelde eisen.Hoeklassen in de vorm van T-verbindingen, buitenhoeklassen en overlapverbindingen behoren tot de meest voorkomende naadvormen in de lastechniek. In totaliteit wordt het aandeel hoeklassen geschat op ongeveer tachtig procent van alle door middel van booglassen gemaakte verbindingen. Daarnaast worden bij andere verbindingstechnieken ook met hoeklassen vergelijkbare naadvormen toegepast. Te denken valt aan verbindingstechnieken waarbij het werkstukmateriaal niet wordt gesmolten, zoals hard- en zachtsolderen en las- of MIG-solderen. Deze laatste technieken blijven in dit artikel buiten beschouwing. Ondanks het feit dat de hoeklas zo ‘gewoon’ is, zijn er een aantal zaken die bekeken moeten worden alvorens een las te gaan produceren. We laten een aantal aspecten met betrekking tot hoeklassen de revue passeren in de hoop dat zelfs de meest doorgewinterde lastechnicus of lasser op de een of andere manier hieruit nog profijt kan trekken. De meest voorkomende naadvormen voor hoeklassen worden weergegeven in figuur 1. Figuur
1.
Figuur
2.
Figuur
3.
Specificatie hoeklassenISO 2553 gebruikt de volgende aanduidingen, getoond in de figuren 2 en 3: a = keelhoogte z = beenlengte s = keelhoogte met penetratiediepte l = lengte onderbroken hoeklas In figuur 2 is een zuiver onder verstek gelaste hoeklas met nominale a hoogte en beenlengte z afgebeeld. De waarde a is hier gelijk aan de hoogtelijn van de gelijkzijdige driehoek die de doorsnede van de las vormt. In figuur 3 is de hoeklas afgebeeld met diepe (positieve) inbranding.
Hoeklassen bij overlapverbindingenZoals eerder besproken, komen te zwaar uitgevoerde lassen veelvuldig voor en de overlapverbindingen vormen hierop geen uitzondering. De constructeur zal in het algemeen een beenlengte z opgeven die gelijk is aan de materiaaldikte zoals is aangegeven in figuur 7. Figuur
7. Figuur
8. Figuur
9.Behalve het risico van een te kleine keelhoogte kunnen er andere problemen ontstaan, zoals het overbloezen als gevolg van een te groot smeltbad (figuur 10) of een te bol oppervlak van de las met de daaraan gekoppelde scherpe overgang naar het plaatmateriaal (figuur 11). Figuur
10. Figuur
11. Figuur
12.SamenvattingHoeklassen vertegenwoordigen niet alleen de meest voorkomende vorm van lasverbindingen, maar behoren ook tot de moeilijkste bij het verkrijgen van een gelijkmatige kwaliteit. Hoeklassen vereisen een hogere warmte-inbreng dan een stompe las bij dezelfde materiaaldikte. Bij lassers die onvoldoende vaardigheid bezitten, kan dit onvoldoende penetratie en/of bindingsfouten ten gevolge hebben. Dergelijke nvolkomenheden kunnen niet goed met visuele inspectie of andere niet-destructieve onderzoekmethodes worden gedetecteerd.Hoeklassen zijn niet altijd geschikt voor niet-destructief onderzoek of ze vereisen tijdrovende, nietdestructieve onderzoekmethoden zoals utrasoon onderzoek. Bovendien zijn de onderzoeksresultaten dikwijls moeilijk te interpreteren. Inspectiemethoden als visueel onderzoek, magnetisch en penetrant onderzoek zijn technieken die beperkt zijn tot onderzoek van het oppervlak. Bij visuele inspectie wordt vaak de meeste tijd besteed aan het meten van de afmetingen in plaats van dat ook andere kwaliteitsaspecten van de las worden beoordeeld. Hoeklassen zijn daarom best moeilijk om te lassen en te inspecteren. Vaak zijn de geproduceerde lassen zwaarder dan ze hadden moeten zijn of hebben ze een slechte vorm die een negatieve invloed zou kunnen uitoefenen op de levensduur van de constructie. Om deze problemen uit de weg te ruimen dienen constructeurs de vereiste afmetingen van de las nauwkeurig aan te geven en moet het laspersoneel er naar streven de gespecificeerde maten aan te houden. De lassers moeten ook voldoende en op hoeklassen gericht getraind worden en over voldoende vaardigheid beschikken om een aanvaardbare kwaliteit van de lassen te kunnen waarborgen. |
|||
| bron: NIL |
|
||
|
|
|||